donderdag 27 juni 2013

Talent

Onderstaande column heb ik geschreven voor ons kerkblad, over het lastige onderwerp 'talent'


Talent

 

Mijn historische (jeugd)roman Kate is genomineerd voor twee prijzen, Het Hoogste Woord (beste christelijke jeugdboek) en het is een kerntitel voor de Jonge Jury (beste jeugdboek). De recensies zijn ook lovend. Zo schreef het Nederlands Dagblad: Met haar eerste Young Adult roman laat Kraijo haar talent zien.

Talent, ik vind het een lastig begrip. Ik krijg regelmatig te horen dat ik talent heb -of nog erger, dat ik een talent ben- maar ik ben zo Calvinistisch dat ik het moeilijk vind om dat van mezelf te zeggen. Het staat zo opschepperig, zo arrogant. Ik vind het gewoon leuk om te schrijven en ik wil graag verhalen vertellen, maar ik kan niet goed zeggen dat ik talent heb.

Aan de andere kant…

Vorige week had ik een gesprek met een collega, wiens boek ook een van de kerntitels van de Jonge Jury is. Deze collega, ook een christen, zei: ‘Wat mooi dat God ons die nominatie in onze schoot heeft geworpen.’ Maar dat was ik toch ook niet met hem eens, absoluut niet zelfs! Het leek op deze manier alsof wij er zelf niets aan hadden gedaan en God ons als cadeautje die nominatie had gegeven, omdat Hij dat toevallig leuk vond. Natuurlijk is het geweldig dat wij allebei genomineerd zijn voor zo’n belangrijke prijs, maar ik geloof niet dat God daar iets mee te maken heeft. Volgens mij houdt God zich niet op dat detailniveau met mensen bezig.

Ik geloof dat God ieder mens talenten geeft, maar dat hij die zelf moet ontwikkelen en daarvoor hard moet werken. Ik zie God als een sturende kracht op de achtergrond. Ik geloof dat God richting geeft aan mijn leven, dat Hij me op de goede weg houdt, en bijstuurt wanneer ik dreig te verdwalen, maar ik geloof niet dat Hij mijn ene voet voor de andere zet. Ik moet zelf over mijn levenspad lopen, zelf vallen en weer opstaan, maar Hij wijst me de zijwegen als de hoofdweg is afgesloten. Ik zou ook niet willen dat God zo allesbepalend is. Dat zou namelijk betekenen dat God alles beslist en ik geen eigen keuze heb, maar een willoze marionet ben en God de grote poppenspeler is. Dat is niet het beeld dat ik van God heb. En ook niet het beeld dat ik van mensen heb.

In de bijbel staat de gelijkenis van de talenten. (Mattheüs 25: 14-30). Een werkgever gaf talenten (een soort munt van edelmetaal) aan drie knechten en ging weg. Degene die vijf talenten kreeg, ging ermee handelen en verdiende er tien. De knecht die twee talenten kreeg ging ook handelen en kreeg er vier. De derde, die één talent kreeg, begroef dat talent zodat het niet gestolen zou worden, en gaf het aan zijn werkgever weer terugkwam. De werkgever beloonde de twee knechts die hadden gehandeld met zijn talenten en strafte de knecht die het talent had begraven. Hij nam hem zijn talent af, gaf het aan de rijkste en stuurde de derde knecht weg.

Ik kan me herinneren dat ik dat vroeger een heel onrechtvaardig verhaal vond. Iemand geeft jou geld, edelmetaal, en als je daar goed op past, word je gestraft, terwijl degenen die hebben gehandeld met geld dat niet van hen was, worden beloond. Pas later heb ik begrepen dat je dat, zoals zo veel in de bijbel, figuurlijk moet zien. Als je een talent niet ziet als geld, maar als talent in de betekenis van gave, dan wordt het logischer. God is dan de werkgever die jou je talenten geeft, maar je zult er zelf iets van moeten maken. En zo zie ik de nominatie dan ook. God heeft mij op de weg van het schrijven gezet, toen de weg waarop ik wandelde doodliep, maar ik moest zelf achter die computer kruipen om een mooi verhaal neer te zetten. Als dan blijkt dat het verhaal dubbel genomineerd wordt, ben ik God dankbaar dat hij mij die basis heeft gegeven, maar ook trots op mezelf dat ik dat edelmetaal niet in de grond heb gestopt, maar er mee ben gaan handelen. En dat durf ik dan wel, heel zachtjes, te zeggen.

 


 

woensdag 29 mei 2013

Boekpresentatie zonder boeken


 
Ik maak al jaren- en jarenlang lijstjes voor van alles en nog wat. Zelfs als ik een dagje moet besteden aan mijn huishouden, wat bepaald niet mijn grootste hobby is, maak ik een to do lijst. Een enkele keer zet ik er iets tussen wat ik al bijna af heb, gewoon omdat het zo’n lekker gevoel is om iets af te kunnen vinken.

 
Ook voor de boekpresentatie van mijn historische roman Rose, maakte ik al weken van tevoren had ik een uitgebreide to do lijst, die varieerde van ‘rode slingers kopen’ tot ‘een voor te lezen stukje uitzoeken’ en van ‘mensen vragen om te helpen versieren’ tot ‘live muziek regelen’.

 
Afgelopen zaterdag was ik, met mijn hulptroepen, dan ook ruim op tijd in de bibliotheek om tientallen rode ballonnen op te blazen, posters van Kate en Rose op te hangen, de koekjes feestelijk op rode bordjes te schikken en meer van dat soort kleine klusjes. Alles ging volgens planning en  het zag er naar uit dat we een paar minuten voor de inloop van de presentatie (half vier) klaar zouden zijn.

 
Totdat, tien minuten voor de inloop zou beginnen, de uitgever belde. Ze stond in de file en zou niet voor vier uur in Cuijk zijn. Dat was even schrikken. Niet alleen omdat de uitgever om vier uur zou speechen (dat kon makkelijk later in het programma), maar vooral omdat ze alle boeken bij zijn had. En een boekpresentatie zonder boek zou toch een beetje jammer zijn.

 
Ik had net de telefoon neergelegd toen de eerste gast binnen kwam.  Ze vertelde dat er een ongeluk was gebeurd in Cuijk waardoor de weg naar de bibliotheek volledig was afgesloten. Ik kreeg meteen visioenen van een racende uitgever die alles probeerde om niet te laat op de presentatie te komen en dan, op twee kilometer voor de bibliotheek, muurvast kwam te staan, met alle boeken! In gedachten zag ik ons al als een rode optocht naar de auto wandelen, de bibliothecaresse voorop met een poster van Rose.

 
Maar gelukkig liep alles met een sisser af. De uitgever was net op tijd bij de bibliotheek, de boeken werden met sneltreinvaart naar binnen gebracht en (bijna) niemand wist dat we bijna een boekpresentatie zonder boeken hadden.

 
Ineke Kraijo

 

 

woensdag 22 mei 2013

Een stuiterende juf


Een stuiterende juf

‘Geduld is een schone zaak’ zegt een overbekend spreekwoord. En zoals met de meeste spreekwoorden en gezegdes het geval is, is dat waarheid als koe. Wat dan weer wel een vreemd gezegde is.

Ik vind van mezelf dat ik best geduldig ben. Kruisje voor kruisje een enorm telpatroon borduren vergt veel geduld, net zoals eindeloos priegelen met knijpkraaltjes en ringetjes om een mooie ketting te maken of een roman van 100.000 woorden schrijven. Ik vind het allemaal leuk om te doen en kan er dus ook het geduld en de concentratie voor opbrengen. Maar ook omdat ik dan iets doe.

Ik ben namelijk minder geduldig als ik lijdzaam moet wachten op iets. Dan blijkt geduld toch niet mijn sterkste eigenschap. En toch moet ik soms wachten.

Vorige week dinsdag kreeg ik een mailtje van Annemarie Prins van de werkgroep christelijke kinderboeken. Ze mailde alleen maar ‘Hallo Ineke, mag ik je eens bellen?’ Ik wist dat Annemarie in de jury zat van Het Hoogste Woord en dat mijn historische (jeugd)roman Kate daarvoor was aangemeld. En dus begon ik stiekem te hopen dat ik bij de genomineerden zou zitten.

Toen begon het wachten, het wachten en het wachten. Vergeet ik normaalgesproken zo vaak mijn telefoon dat mijn man demonstratief rode stickers met een telefoon op de deur heeft geplakt, deze week had ik mijn telefoon voortdurend bij me. Zelfs vrijdagmorgen toen ik gymles gaf aan peuters tussen de één en drie jaar.

Ik zat in de gymzaal in de kring met alle peuters, klaar om ‘In de maneschijn’ te zingen en net op dat moment ging mijn telefoon. Het was Annemarie Prins of ze gelegen belde. Ik keek eens naar ‘mijn’ peuters en wist dat ik eigenlijk moest vragen of ze later terug kon bellen, maar daarvoor was ik gewoon te nieuwsgierig. Annemarie vertelde dat Kate inderdaad genomineerd was voor Het Hoogste Woord. Ik geloof dat ik nog heel netjes heb gezegd dat ik dat geweldig vond, maar toen ik de telefoon uitgezet had, ben ik door de gymzaal gaan springen. 'Mijn' peuters keken nogal vreemd op van een stuiterende juf, dus ging ik toch maar snel weer zitten om ‘In de maneschijn’ te zingen. Anders hadden we misschien wel met zijn vijftienen door de zaal gestuiterd.